Breteler: naamdragers

 

 

De naam Breteler en de plaatsen waar deze voorkomt

 

De naam Breteler[1], met als varianten Groot Breteler en Klein Breteler [2], heeft als uitleg twee varianten die min of meer in elkaars verlengde liggen.
Volgens de eerste variant is Breteler afgeleid van bredelaar, of, in oudere spelling, breydelar, waarin de uitgang laar een open plek in het bos betekent, intensief door mensen gebruikt voor het weiden van vee of het verbouwen van graan. Een tweede uitleg gaat uit van een oorspronkelijke vorm Bredelo. Lo betekent hier een bos dat gemakkelijk kon worden gekapt, ook wel als Lohe of Loh geschreven. In beide varianten laat de naam zien dat de erven Breteler gelegen waren bij of op een brede laar, een open plek in het bos. Beide varianten gaan er vanuit dat de uitgang – laar of lo – in de late middeleeuwen als ‘ler’ werd geschreven. Erven met deze naam komen in Overijssel voor bij Lonneker (in 1475 Bretlar geheten) en Boekelo (in 1475 Dat Breteler). Boekelo betekent beukenbos. In en rond dit bos komen meer erven voor waarvan de naam op ‘ler’ eindigt: naast Breteler onder andere Kinkeler en Vregeler, terwijl Lintelo de meer oorspronkelijke uitgang heeft behouden. Erfnamen met deze uitgang wijzen op nederzettingen uit de 7e eeuw.

[1] Bij de spelling van de achternaam is zo veel mogelijk aangehouden hetgeen in het doopboek of in de geboorteakte als de achternaam van de vader wordt vermeld.

[2] Het voorvoegsel Klein of Groot heeft betrekking op een afsplitsing (vaak bij het verdelen van de landerijen na een overlijden) van het oorspronkelijke erf. ‘Klein’ werd in de Middeleeuwen ook geschreven als Luttike (vergelijkbaar met het Engelse ‘little’). Sommige familienamen hebben een verbastering van dit voorvoegsel, zoals Lutke of Lutje.

In Enschede komt de straat Bretelerhorst voor.

In de jaren 1975-1982 werden de dan nog bekende veldnamen binnen de gemeente Enschede geïnventariseerd door de heer H.G. Engbers, werknemer van de DCW-bedrijven te Enschede. Hij bezocht systematisch de plattelandsbevolking van de gemeente Enschede een deed navraag naar nog bekende veldnamen. Voor de spelling ging hij uit van de uitspraak van de informant. De namen tekende hij ter plaatse aan op een werkkaart. In 1992 verscheen in de reeks veldnamen in Overijssel het boekje Veldnamen in Enschede. Daarin komen de volgende veldnamen voor: Bretelersmoat (2x), Bretelersweer, de Bretelerwonningen en Breteler zienn Dreetip.
In dezelfde reeks verscheen in 1982 het boekje Veldnamen in Haaksbergen. Hier werden de gegevens verzameld door B. Termathe en H.W.H. Stokkers. De oogst is hier wat minder dan in Enschede. Er zijn twee vermeldingen: Schonenborg en Bretelerveld (bij Boekelo) en Bretelerweide.

Op de grens van de gemeentes Diepenheim en Neede is nog altijd de Bretelerveldweg te vinden terwijl de Bretelerstraat de bebouwde kom van Hengevelde met de landbouwgronden aan de overzijde van de provinciale weg verbindt.

 

Ook in Millingen aan de Rijn komt de naam voor, terwijl bij Elst het plaatsje Bredelaar ligt. Vergelijkbaar met Twente bestond daar een erve Grote Bredelaar en later een Klein Bredelaar. De in 1660 gedoopte Hendrick Breunissen woonde vanaf 1701 op de Grote Bredelaar bij Bemmel. Hij werd pachter van Grote Bredelaar na zijn huwelijk. Wessel Breunissen, zijn zoon, gedoopt in 1712, volgde zijn vader als pachter op. In 1752 werd hij eigenaar van Grote Bredelaar. Cornelis Breunissen, gedoopt in 1752, woonde achtereenvolgens op de Grote en de Kleine Bredelaar. Na Jacobus (gedoopt in 1762) en Derk Breunissen (gedoopt in 1795) bleef een tak van deze familie deels op de hofstede Grote Bredelaar gevestigd.

Over de geografische herkomst van de naam Breteler lopen de meningen uiteen. Vooral Duitse bronnen achten het aannemelijker dat de naam niet uit het in het Sauerland gelegen Bredelar stamt, maar van het erve Bredelaar in de Betuwe bij Elst.

 

België

In België bestond een leen met de naam Breydelaere of Den Breydelaere (soms ook Ten Breydele). Dit leen lag in Leffinge bij Oostende. De eerste vermelding, gevonden door de toponymist Karel de Flou, dateert van 1424: ‘Ic, Jacob Breydel, kenne ende lye een leengoed…ligghende in Camerlinx Ambachte ende inde parochie van Leffinghen, zuudoost van der kerken’. Dit verbindt het leengoed duidelijk met de bekende Brugse familie Breydel, die er haar naam aan gaf of er haar naam aan ontleende (beide mogelijkheden staan open). Ten Breydele werd vanaf 1435 Den Breydelaere, en wordt aldus vermeld in officiële leenboeken en allerhande akten.
Het leen is overgegaan van de familie Breydel naar de familie Melgar. Bernard de Melgar was al heer van Breydelaere in de 17e eeuw. Het is zeer waarschijnlijk dat het leen in andere handen overging bij een erfenis.
Jonkheer Henri (ook genaamd Henrigo) de Melgar was voorzitter van de heerlijkheid van het Proosse (in 1729), en schepen van de stad Brugge (voor 1729). Hij was poorter van Brugge en behoorde tot een familie van Spaanse oorsprong waarvan als eerste Jan de Melgar in 1623 poorter van Brugge was geworden. De eerste naamdrager in Brugge was Pedro de Melgar, geboren in Burgos, die in 1530 consul van de Spaanse natie in Brugge werd.
Henri de Melgar trouwde begin augustus 1729 met Isabelle Fourbisseur. Ze kregen tenminste zeven kinderen. Een van deze kinderen, Pierre-Antoine-Florentin (ook genaamd Pedro of Pieter) de Melgar, werd in Brugge geboren op 17 oktober 1742 en overleed daar op 10 april 1801, 58 jaar oud. Hij werd geboren in een gezin met aanzienlijke bezittingen.
Pierre of Pieter de Melgar trouwde op 30 december 1770 met Constance-Brunone d’Hanins de Moerkerke. Zij werd geboren op 6 oktober 1746 en overleed op 1 januari 1777. Zij kregen een zoon: Pierre-Jacques de Melgar de Sporkinchove (16 september 1772-1858).
Pierre of Pieter de Melgar voerde als tweede achternaam de Breydelare.

 

Duitsland

Bij Bentheim bestaat de veldnaam Bretler. In de jaren 1346-1364 leefde daar de reeds genoemde Sweder van Bredlare. Tegenwoordig bestaat in Bentheim nog een Bretelerstrasse, net om de hoek van de Schillerstrasse en de Goethestrasse.

 

Eveneens in Duitsland, in Düsseldorf, is een Bredelaerstrasse te vinden.
In Rotenburg (Wümmel), deelstaat Niedersachsen bestaat een Breteler Weg, een dwarsweg tussen de Hassler Weg en de Hastedter Weg.
In Sauerland staat in het gelijknamige plaatsje een klooster Bredelar. Bredelar is gelegen in de buurt van Brilon in Hoch Sauerland[3]. Komen de oudst bekende Bretelers uit Bredelar in Duitsland? In de regesten van het klooster Bredelar zijn daar geen aanwijzingen voor te vinden. Deze regesten beschrijven voornamelijk alle schenkingen, ruilen en andere transacties in de bijna 600-jarige geschiedenis van het klooster. Slechts één maal komt de naam Bredelar voor bij een persoon. Een maal ook wordt verwezen naar een huis Bredelar in Korbach en eenmaal wordt verwezen naar Alten-Bredelar (Aldenbreydelar). Op 5 april 1363 wordt bij een transactie tussen het klooster Bredelar en Johannes Julesberg een aantal getuigen genoemd. Een van hen, een burger uit Korbach, heet Johannes van Bredelar (Breydelar). Op 21 april 1489 verkopen Elies, burger te Brilon, en zijn vrouw Anna aan het klooster Bredelar hun jaarrente die ze trekken van het huis Bredelar dat niet ver van de Keffelker Porte ligt, vroeger de Borch genoemd. Op 12 januari 1338 vermeldt oorkonde nr. 219 van het klooster dat een schildknaap genaamd Albero Clot aan het klooster Bredelar zijn hoeve in Heddenstorp schenkt. In ruil daarvoor moet een priester uit het klooster diensten opdragen in de kapel die Aldenbrydelar wordt genoemd.

 

Schrijfwijzen Breteler

De naam Breteler is in de loop der eeuwen op veel (ruim dertig) verschillende manieren geschreven. Een opsomming:

Von Bretlar

Von Breteler

Von Bretlere

Von Breteler

Von Bretlaer

Von Bretlare

Van Bretlere

Van Breteler

Van Bredlare

Van Breetler

Van Breetlaer

Van Bretlaer

Die Bredeler

De Bretlaer

De Bretlare

De Breetlaer

De Breydelere

De Brectlaer

De Bredelaer

Den Bredelaer

Ten Bredelaer

Ten Bretelaar

Ten Breteler

Bretlere

Bredelaar

Bredelaer

Bredeler

Bretelaar

Bretelaer

Breteler

 

Berteler
Hoewel de letters in de naam overeenkomen, is de familie Berteler niet verwant aan de Bretelers. Berteler is afgeleid van Bartelink.

Dreteler
In de buurt van Delden bestond een erve Dreteler. De naam werd ook gespeld als Dreeteler of Drietelaar. In 1457 wordt het vermeld als Drietelar, in 1475 als Dretleer en in 1495 als Dreteler. Hoewel op het eerste gezicht een verwantschap met Breteler voor de hand ligt, is hiervan geen sprake. Overigens: in het Middelnederlands betekende ‘driten’ zich ontlasten. De Drietelaar was dus kennelijk een vuile plaats.

 

Voetnoten

[1] Bij de spelling van de achternaam is zo veel mogelijk aangehouden hetgeen in het doopboek of in de geboorteakte als de achternaam van de vader wordt vermeld.

[2] Het voorvoegsel Klein of Groot heeft betrekking op een afsplitsing (vaak bij het verdelen van de landerijen na een overlijden) van het oorspronkelijke erf. ‘Klein’ werd in de Middeleeuwen ook geschreven als Luttike (vergelijkbaar met het Engelse ‘little’). Sommige familienamen hebben een verbastering van dit voorvoegsel, zoals Lutke of Lutje.

[3] In delen van de familie gaat het gerucht dat een Duitse edelman uit deze plaats naar Nederland moest vluchten. Wie en waarom is niet bekend. Het gerucht blijft vooralsnog een gerucht.

 

Oudst bekende naamdragers

Werner von Bretlar

Werner von Bretlar

De oudst bekende Breteler in Twente is de uit Bentheim[1] afkomstige Werner von Bretlar, geboren rond 1255, waarschijnlijk overleden na 1307. Tussen 1283 (Vom Bruch vermeldt 1289) en 1307 komt Werner voor als oorkondengetuige van de graven van Bentheim.

[1] Volgens Robert vom Bruch stamt het geslacht (waarvan Werner de oudst bekende is) uit Bredelaer in het kerspel Celst (vermoedelijk bedoelt hij Elst) in de provincie Gelderland. Hij vermeldt niet waar hij deze afkomst op baseert.

Op 17 april 1283 staan graaf Ecbert van Bentheim en zijn vrouw Hadwig van Oldenburg mede namens hun kinderen het erfelijk bezit van de Voogdij over de Hof van Espelo af aan Ecbert van Bentheim, een broer van de vader van graaf Ecbert. In een oorkonde van dezelfde datum draagt Ecbert, broer van de overleden graaf Otto van Bentheim, de voogdij over de Hof van Espelo ten behoeve van het kapittel van St. Pieter te Utrecht, in de persoon van de proost. Ecbert voert daarbij een aantal borgen op: Nicolaas van den Torne, Gerhard Snoye, Bernhard van Ludinghausen, Wilhelm Voet, Werenbold van Vechta, Arnold Bastun, Frederik van Saterslo, Gerhard Steinhaus, Ecbert Swantepoel, Ernst van Beveren, diens broer Gottfried, Otto van Verth én Werner van Bretlar. Op een enkeling na zijn dit bekende Bentheimse borgmannen uit die tijd.
Robert vom Bruch (zie literatuurlijst) noemt Werner von Bredlare een ‘Knappe’, een schildknaap. Onder knaapambacht werd in de Middeleeuwen het ambt van schoutsdienaar of gemeentebode verstaan.

13 december 1287
In nomine sancte et individue trinitatis. Universis presentia visuris nos Egbertus comes de Benthem et Hadewiges uxor ejus salutem in perpetuum et rei geste cognoscere veritatem. Que aguntur in tempore, ne cum processu temporis evanescant solent perinde sub lingua testium fidelium deponi aut scripti patrocinio confirmari. Hinc est quod constituti coram nobis Thidericus de Baclo et Christina uxor ejus ac Hildegundis soror ejusdem nec non Godescalcus filius Thome de Scutorpe miliis curtem in Baclo dictam Ernestinckhof ac domum adjacentem dictam Herscapink, quas dictus Thidericus a nobis jure ministeriali tenebat, libere rsignarunt et omni juri competenti eis in ipsis prorsus renunciarunt ad opus magistri et fratrum domus Stenvorde, qui dictam curtem et domum pro centum et viginti novem marcis novorum Monasteriensium pecunie numerate nostro de consensu emerunt. Nosque in honorem Dei et sancti Johannis baptist et in remissionem peccatorum nostrorum proprietatem dicte curtis ac domus cum omnibus servis et ancillis et hominibus extra et intra manentibus, nemoribus, pratis agris cultis et colendis et ceteris juribus ipsis pertinentibus contulimus perpetuo possidenda. Acta sunt hec presentibus fratre Ottone de Benthem, filiis nostris Ottone, Johanne, Oda et Hadewiga et Haseken consentientibus, presentibus Arnoldo de Deden, Ludolpho de Sconenvelde, Gerhardo de Rammesberge et Thoma de Scuttorp militibus, Arnoldo Bastun, Wernero de Bretlare et aliis probis viris. Datum Ydibus Decembris anno Domini MCCLXXXVII[1].

In 1299 komt Werner voor in een oorkonde van Baldewijn van Steinfurt.

Bij een proces uit 1615 tussen de graaf van Limburg Stirum contra de bisschop van Munster inzake Borculo bestaat een van de bijlagen uit een afschrift van een leenregister van de heren van Ottenstein. Via het huwelijk van Otto van Bronkhorst met Agnes van Solms, dochter van Hendrik van Solms, heer van Ottenstein, in 1418, kwamen de Ottensteinse of Solmse lenen aan het huis Bronkhorst. Het afschrift van dit leenregister is een vele jaren later samengestelde compilatie van vier in de tijd zeer verschillende ‘Lehntagsregister’ van Ottenstein. De in de lijst vermelde bezittingen zijn dus nooit gelijktijdig beleend of geschonken. Het is een samengestelde lijst van lenen die veel verder teruggaan dan het jaar waarin het genoemde proces diende.
Onder de kop ‘Desse guede sint gelegen in allerhande kerspelen die hierna beschreven staen’ staat, op folio 18 verso, Warner van Bretler ende Sweder sijn soone ontfangen 4 erven ende een half erve bij den Amelinckhove ende den tienden to Bretler[2].

In de Diplomatische Geschichte des alten Grafen von Ravensberg wordt Werner vermeld ( 8 mei 1302).

Onder de Gelderse familierelaties behandelt de Van Batenborgh Stichting de naam Van Besten[3] uit Bentheim, Twente en Gelderland. In deze genealogie wordt onder Henrick VII Van Besten, geboren voor 1524, overleden na 1563, zoon van Vincentius I Van Besten en Bywe Rengers geboren Ten Post, gehuwd met Maria van Laer (dochter van Johan vanLaarwolt en Suzanna Mulert), burgman van Neuenhaus, gedeputeerde van Arnd graaf van Bentheim en ‘bezitzer des Bretelers’[4].

Vom Bruch merkt in dit verband op dat de Hof Bretler al in de late middeleeuwen voor de helft in het bezit was van de familie Van Beesten en von Münster, dat het erve rond 1540 nog bestond maar in 1568 woest lag (zie ook voetnoot 17). Dit laatste was wellicht het gevolg van de Tachtigjarige Oorlog (1568-1648).

Het Verpondingsregister van Twente van 1601 vermeldt (nr. 1193) bij Amelinck:
tobehorende den graven to Benthem, groth 7 mudde gesei, 2 dage meyens, gift ter pacht 3 rixdaller; tendet aver ‘t landt. 3-15-0.

    1. Amelinck, groot wesende seven mudde boulandt, een hoymate van een dach gras meyens.
    2. Boerderij verdwenen tijdens de bouw van paviljoens op het landgoed Het Amelink-Bouwhuis, aan de Oldenzaalsestraat. Thans Stichting Philadelphia Overijssel.
    3. Amelinghoff, 2 s., bet. 3 golden r.g.
    4. Het Amelink; thans buitenverblijf. Hierin is opgegaan het erve Vaarwerk.

Ook het erve Voortman is in het Amelink opgegaan. Dat geldt vermoedelijk ook voor het erve Jegering, dat in 1602 toebehoorde aan het klooster te Oldenzaal.
Het Amelink was gelegen in de Lonneker Marke.
C.J. Snuif vermeldt in 1928 dat het Amelink op dat moment het buitenverblijf was van Mevr. Wed. H.B. Blijdenstein. Onder oudere vermeldingen noemt Snuif: 1386, 1489 en 1499 Amelinckhof; 1545, 1565 en 1601 Amelinck; 1635 Amelingh. 1717, 1733 en 1790 Amelink.
In zijn artikel over het erve Kromhof (Tubantia, 1929) schrijft Snuif:
De Heeren van Bentheim Steinfurt bezaten bij Enschede een groot aantal erven. Deze waren afkomstig van de erfenis van Gijsberta van Bronkhorst, kleindochter van den Heer van Solms Ottenstein en na haar dood half op haar kleinzoon, Everwijn van Bentheim en half op Everwijn van Steinfort vervallen (…)

Goossen Heindenrijk Schele tot Welevelt liet in 1647 op eenige Bentheimsche erven gerechtelijk beslag leggen en ze ophangen, waarbij de volgende prijzen werden geboden: Crumhoff 400 Rdlr., Honhoff 400 Rdlr., Lippinckhoff 500 Rdlr., Bruggeman 500 Rdlr., Amelinck 600 Rdlr.
Dertig jaar eerder, op 2 augustus 1617, verschijnt Johan ten Breteler ‘jegenwoordich op Aemelinck wonnende’ voor het landgericht van Enschede.
In 1644 verschijnt daar Godefridus Mattheij. Hij treedt namens Jan Amelinck op tegen Geert Wijcherinck. Het is uiteraard de vraag of Johan ten Breteler en Jan Amelinck dezelfde persoon waren. Opvallend is wel dat, ruim driehonderd jaar nadat het erve Amelink aan Werner en Sweder werd beleend, nog een Ten Breteler in verband met dit erve wordt genoemd.
In het Verpondingregister van het Gericht Haaksbergen uit 1730 wordt bij Amelink de weduwe ten Cate genoemd. Het Erve wordt aangeslagen voor een bedrag van 33-10-00. In 1790 bedraagt de verponding 17-13-00 en de contributie 16-7-00, totaal f 34,-.

Het Amelink (Oldenzaalsestraat 591) is ontstaan op de plaats van het Erve Amelink dat in 1741 door de familie Blijdenstein werd verworven voor de aanleg van een bleek. In 1809 liet W.W. Blijdenstein naar plannen van G.A. Blum een park aanleggen, waarin in 1842 een landhuis verrees. In 1922 werd dit gesloopt om plaats te maken voor een nieuw landhuis naar plannen van S. de Clercq. In opdracht van H.B. Blijdenstein-Van Heek verrees het statige pand in sobere ‘Um 1800’-vormen met een tuin naar ontwerp van H. Copijn. Het koetshuis (Oldenzaalsestraat 577) werd in 1892 gebouwd naar plannen van H.E. Zeggelink[5].
Op grond van het bovenstaande mag worden aangenomen dat het erve Breteler waar Werner en zijn zoon Sweder tienden over ontvangen het in de buurt van het erve Amelink gelegen erve is. Dit erve dateert dan al van voor de geboorte van Werner von Bretlar, dus van voor circa 1265.

 

Sweder von Bretlar

Sweder von Bretlar werd circa 1285 geboren en overleed na1364. Waarschijnlijk werd hij in Bentheim of Brecklenkamp geboren. Hij woonde in elk geval in Bentheim in een huis bij het bos ten noorden van het slot van de graven van Bentheim (in dem Kirchspiel Bentheim an der Tittenburgh[1] vor dem Walde). Daarnaast was hij in het bezit van een huis genaamd Kemersvorde, bij Dinkelo (waarschijnlijk is hier de Dinkel of Overdinkel bedoeld) bij Losser in het kerspel Oldenzaal.

[1] In Emslänidische und Bentheimer Familienforschung, november 2011, Heft 112, Band 22, schrijft Heinrich Voort over de oorsprong van de Tittenpiramide, een zandstenen object dat in 1984 van Nordhorn terug naar Bentheim werd gebracht en teruggezet op de plek waar deze vroeger aan de Tittenstiege stond, een weg die naar het bos voerde. Over de Tittenburgh of Tittenborch schrijft Ludwig Ede in 1953, zonder bronvermelding, dat ‘die Tittenborch, darauf eine Kotte gestanden, liegt zwischen Sebelinck und dem Breiteler und Funcken Kamp’ en dat daarop tussen de 18 en 20 ossen konden weiden.

Over hem is meer bekend dan over zijn vader, getuige de volgende bronnen.

Bentheimisch Lehenbuch

Excerpta ex antiquis membranis curiae feudalis Benthemensis sub manu Gerardi Albranding civis Monasteriensis nitide conscripta sub rubro:
Dit is dat gued, dat men holt van der herschap van Benthem, ton yrsten dat gued, dat de borchmanne van Benthem hebt van der herschap van Benthem.
Bij de borgmannen wordt onder nummer XIII Breetlare genoemd. Bij paragraaf 13 met daarin de nadere omschrijving staat het volgende:
Sweder van Bredlare hevet to borchlen syn huys, dar he in wonet[6], unde wat dar to horet, unde Bernardes huys dar by[7], unde wat dar to horet, de beyde geleghen syn vor den wolde[8] by den Vogelzange. Deselve hevet to deenstmannen rechte den kamp, de geleghen is beneven de windemole[9] unde wat dar to horet, und en huys, dat geheten is up des Kemersvorde, dat gelegen is upper Dinclo in den kerspell tot Aldensahle[10]. Deselve heft dat huys to …, gelegen vor der stat to Scutorpe, dat huys is Arnolde Kerckhove verkaft, und den is dat guht gheruget vor ein eygen mit vorwenden, dat Kerckhof des guhdes nicht verkopen mag, he enbede dat dar voren up den greven ein half jahr, alse de breve haldet.
Urkundlicht ist Sweder von B. von 1324 bis 1348 als Bentheimer Vasall und Burgman nachweisbar. Die Ableitung des Namens von Bredelar, Kr. Brilon (Sauerland; red.) ist doch wohl fraglich, eher wird an Bredelaar, Ksp (Kerspel; red.) Elst, Prov. Gelderland, Niederlande zu denken. Sweder war wohl ein Sohn des von 1287 bis 1307 in Bentheimer Urkunden vorkommenden Werner von B. Ein jüngerer Werner war 1346 Richter in Hasselt, und 1348 schout. Ein Johann von Br. (1385) ist vielleicht identisch mit Johann die Bredeler, Bürger zu Neuenhaus, ders 1418 die Huldigung dieser Stadt an Bischof Friedrich von Utrecht mit untersiegelte[11].

Arnoldus van Schonevelde, zoon van Nicolaas van Schonevelde en NN, geboren circa 1290 en vermeld vanaf 1318, is in 1327 betrokken bij de moeilijkheden tussen graaf Johan van Bentheim en jonker Ludolf van Steinfurt. Bisschop Johan van Utrecht doet op 15 januari 1328 uitvoerig uitspraak.
Allen denghenen, die desen brief zien zolen jof horen lesen, wy Johan, bi der ghenaden Godes biscop tot Utrecht, maken cont: want edel luden Johan greve van Benthem van der enre side ende Ludolf joncker van Stenvorde van der ander ziden ons ghelovet hebben ende an (ons) ghebleven siin een zoen to seghen tvisschen hem beyden ende al hur hulpers van allen poenten, die hiirna ghescreven staen ende dar se om gheorloghet hebben tot huden op desen dagh toe, ende ons de zoene, die wi seghen solen, vorborghet hebben an beyden ziden witelic ende truwelic to houden bi eenne p(o)ene van dusent marken Moenstersclage, also wie ons seghen van desen vorseyden pertien niet en helde, dat siin borghen incomen zolen tot Aldenzale tot unser maninghe of unses ware boden in een herberghe, die men een wisen sal, dar to lichen, hem selven to winnen ende niet van daer to comen, se en hebben ons seghen witlic ende wal ghehouden ende ons ghenoech ghedaen van den dusent marken voerseghet, so is dat ons seghen.
Ende wi seghen in den yersten een alinc zoene tvisscen beyden pertien vorseyt, ende al hure hulpers van alle poenten, die hiirna volghet ende daer se omme gheorloghet hebben tot huden op desen dach toe, ende van allen stucken, de daraf ghecomen siin, ende brand ende roef, doden en(de) ghevanghen an beyden syden, quite ende eiken man opten zinen; maer waer den thale es onbethalet, die zolent se opburen an beyden syden. Voord seghewi op dat poente van Claus van Berene ende Claus van Sconevelde, dat Arnd van Sconevelde die vif march, der hem Ludolf van Stonvorde gheliede dat he em sculdigh es, opburen sal van der pandinghe, die he in borchtocht hevet sun(n)der Ludolf evel mot. Voert seghewi van den rinderen, de Arns lude van Sconevelde ghenomen siin, dat se hem Ludolf van Stenvorde ghelden sal, also alse siin lude beholden wilt mit huren reghte; maer dochte Ludolf van Stenvorde te grote wesen dat beholt, dath moghte he enen sine kneghte mit sinen reghte laten minderen, ende dat sel men ghelden binnen werten naghten na den behoude. Voerd seghewi van den rinderen ende van den scapen, die Ludolf seghet dat sinen luden doet bleven in der pandinghe, ende van ketel ende van potten ende van anderen plundware, die synen luden ghenomen sold wesen, dat Claus van Beveren ende Arnd van Sconevelde des moghen em ontsculdighen mit huren reghte, och se willen, of se selen ghelden Ludolfs luden also alset behouden willen mit huren regth; maer doch(te) Claus van Sconevelde ende Arnd, dat Ludolfs lude toe grot beholden wouden, so moghen ziid minderen mit huren reghte, ende dat zolent se hem ghelden binnen werteyn naghten na den beholden. Voerd seghewi van den breven, de Claus ende Arnd hebben van Ludolf van Stenvorde ende van der borchtugth, dathi se ghesat hevet, dat se Ludolf daerof sculdigh is te losen, daer he se niet gheloest en hevet; maer waer he bewisen mach, dat he se gheloset hevet, sonder eet, dat sal hem to staden staen ende dar sal men of quitlaten. Voerd seghewi op dat poente van her Nicolaus van Sconevelde: went des een zoene hevet gheweset ende se zend goeder vrinde waren, dat Ludolf ende Arnd heren Claus zoene daeraf goeder vrinde solen bliven. Voerd seghewi op dat poente van juncheren Wicbolde ende Arnd van Samaren: went se noch in goder wrentscap hebben gheweset mit Ludolf van Stenvorde, dat se voert goeder vrinde sollen bliven. Voerd seghewi op dat poente van Gotscalc van Scuttorpe: went de greve van Benthem seghe(t) mit waren worden, dat Ludolve van Stenvorde van Gotscalc van Scuttorpe nie scaden scide ute synen scloten ende em des nie scold en gaf wor den daghe, dat Ludolf ende de greve daeraf guder vrinde solen bliven. Voerd seghewi opte poente war den howe te Brantelghet, dat de greve van Benthem den hov gelden sel Ludolve van Stenvorde, also alse sine lude beholden wilt, die in den holte ghewaret siin; maer wolden se dath beholt toe groet maken, dat mochte de greve doen minderen sinen ambathman mitten reghte, ende dat sel men Ludolve ghelden binen werteyn nachten naet beholt. Voerd seghewi op dat poente van den kneghte, die des greven lude van Benthem henghen: wanth de knegth mit ordel ende mit regth van den live ghedaen wared, als de greve seghet mit waren worden, dat dat quit sel wesen. Voerd seghewi op dat poente wan der howe in der Brogthe: dat Ludolf van Stenvorde den greven van Benthem lechen sal en holtgerech ende darbi boden alle de erweese, die in daet holt ghewaren siin, ende latten hem scien al dat ordel ende reght dar wiset. Voerd seghe(wi) op dat poent van Conrade Barten: went de van Stenvorde Conrade ghevanghen hadde ende die bisscop van Moenster om quitmakede, zo duncht ons dat dath toer zoene ende toer vrentscap ghenc ende dat he quit wesen sal. Voerd seghewi op dat poent van der wrouen van Welen: eest dat (de) kerchere van Ottorpe ende Herman Spric ghelien, dat he greve hiiren man scache mit huren willen, dat de greve daer neyn scolt an hevet toeghen Ludolve van Stenworden; maer waer dat se des neyt en liende, so sel de greve den wrouen hur ghelt wederghewen binnen verten nachten. Voers seghet wi op dat punte van voghetmanne: mach Ludolf van Stenvorde den man beholden als regth es mit brisonte (?) ochte mit wisse, datten hem de greve sol laten volghen ofte behold mitten beteren regth. Voerd seghewi op dat poent van Everd van Bakelo: war dat Ludolf van Stenvorde bewisen mach, dath uten goede ghenomen is binnen des greven worden, dat greve Ludolve dat weder den sal gheven binnen verteyn nachten. Voerd seghewi op dat poent van der wischerien to Holtzaten: went de greve van Benthem seghet mit waren worden, dat hem de wischerie em an hevet gh(e)ervet siin vader, siin olderwader ende sin overoldervader, ende des hebbe(n) ghesete honder jar in ghewere worer vrieghen, ende wil dat worstaen mitten regthe, dat he dat vorstaen sal mit sinne regtherhan(t) an den heylghen, wanneer he des wo(n)manet worde war binnen verten naghten darna. Voerd seghewi op dat poent van des greven lantwere, de tesneden wared: want Ludolf seghet mit waren worden, do he reet tot Osenbrughe, dat he Ludikene Coestoc vorbot, dat he des greven lude van Benthem gheen scaden en dede, ende dat he dede dat was buten sinen weten ende zinen willen ende to Stenvorde niet to en dief (?), dat Ludolf daer gheen scolt an en hevet. Voerd seghewi op dat punte van Everd van Bakelo: dat de greve van Benthem ende Ludolf van Stenvorde enen dach solen lechen tvisscen Benthem ende Stenvorde, daer se er daghe pleghent te holden, ende die dat goet mit beteren reghte vordeghendighen can, dat he (dat) beholden sal. Voerd seghewi op dat ponte van Vrederie van Quendorp, dat Ludolf wederd(o)en sal Vrederic van Quendorp, wat he woer hem gheghulden hevet. Voer(d) seghewi op dat poente van borchtocht: war de greve ofte siin borgman wor Ludolf ghelovet hebben, dar he nie ghequitet eyn hevet, dat he se hem quiten sal. Voerd seghewi op dat ponte van de renderen ende van den perden, de her Matheus van Sconevelde riddere, Arnd Paschedach, Gherard Sconelo ende Claus van Beveren ghenomen siin, alse seghen: dat Ludolves ammetman theghen em riden sal, alses hem manet, ende doen hem van de rindderen ende van den perden also vele als eyn lantreght is, ofte he sals hem ghelden binnen verteyn naghten darna. Voerd seghewi op dat poente van Henric Duncker, dat he dat peert nam er he to Stenvorde quam to wonene: datten hem Ludolf zetten sal tot eyn reghte, alsover als hes magth hevet. Voerd seghetwi op dat poente van den brande, de Arnd van Sconevelde ende Sveder van Bretlar ghedaen is, segehwi:  dat Ludolf van Stenvorde Joan van Welen eem toen reghte set ten Bal; ende en hevet he des nene magth, zo solent vorhalen daer se moghen, dar en sal Ludolf eyn neyt an hinderen. Voert seghe(wi) op dat poente van den thien marken, de Heynen van Zebelinghen ghenomen sin uten sinen gode, als seghet: dat Ludolf van Stenvorde Johan van Welen geven sal ten reght; ende hevet he des neyn maght, dat Heyne worhale an Johan dar he mach, ende dar en sal Ludolf Heynen neyt an hinderen. Voerdane want Arnd van Sconevelde ende Claus van Beveren mest scaden leden hebben in desen orleghe ende wi dat regth tvisscen Ludolf van (Stenvorde) ende em up dese tijt neyt so clarlic worvaren en moghen, zo hebbewi Arnd ende Claus ghelovet ende gheloven to volleysten 60 march Monstersc(l)age, to betalen op sente to Johandach to Mitsomere naestcomene, updat de greve van Benthem ende Ludolf van Stenvorde do vrendeliker bliven ende ons ende unsen stigthe de bet deneyn moghen. Ende hiirmede seghewi eyn allinche sone tvisscen den worghseyden partien ende allers hulpers wittelic ende trwelic, to holden bi der pene van 1000 marken ende in allen beneyren, als sii hiirvor ghescrevent is. Vorgheseyden ende derutghecondighet tot Oldensale int jare onses Heren 1328 des nasten daghes Ponciaens dach. Daerover waren erachtighe lude her Thomas van Buckestelle, her Frederic van der Esa, ridderes, de pravast van Arnhem ende de deken van Aldenzale ende ander vele guder liede.
Fidejossores compromissi iater comitam de Benthem et domicellam de Steynvordia sab pena 1000 marcaram.
Ex parte comitis : dominos Matheus de Sconenveld, dominos Bernardus de Zebelinghe, dominus Everardus de Bevervorde, dominus Gcodefridus de Ghore, milites, Adulphus de Brantelget, Svederus de Bretlaer, Jacobus Zalic, Johannes de Awic, Emricus Weldam et Herman de Laghe.
Ex parte domicelli de Steinvordia : dominus de Ahus, domicellus personaliter, dominus Herman de Monasterio, dominus Herman de Ludichusen, dominus Herman de Bramesse, Conradus de Rechter, Qerardus de Bermentvelde, Johannes de Dichem, Qerardtis de Stochem, Wessel Buden[12].

Johannes, graaf van Bentheim en zijn echtgenote Mathilde, verklaren, dat zij met toestemming van hun zonen Simon en Otto en in tegenwoordigheid van Arnoldus de Butlo, ridder, Arnoldus Pasedach, Hugo Beren, Arnoldus de Schonefelde en Swederen de Bretlare, knapen en andere borgmannen (als Borgman of Burgmann was men verplicht de graaf als leenheer militiar te ondersteunen, in ruil waarvoor de graaf de borgman met goederen beleende), die hun toebehorende ‘grove en smale tienden’ over de huizen Alerdick, Gripinc, Vrylinc, Mathus en Wulvershus, gelegen in de regio Brecklenkamp en het kerspel Ootmarsum hebben bestemd voor de kapel van het nieuw gebouwde kasteel Dinkelrode (Neuenhaus) en dat zij van al hun rechten afstand hebben gedaan. Dat zij de voornoemde tienden, wanneer het kasteel Dinkelrode te niet gaat of van het graafschap wordt afgescheiden zullen verbinden aan een vicarie te Scuttorpe of te Bentheim om te dienen voor het onderhoud van de priester van de vicarie, die zij of hun opvolgers daar dan zullen oprichten. 21 maart 1328[13]

Johannes, graaf van Benthem, oorkondt ( Archieven der Ridderlijke Duitse Orde, Balie van Utrecht, 1871) op 1 januari 1329 dat in tegenwoordigheid van ridder Arnoldus de Boclo en de knapen Hugo Bare, Arnoldus de Sconevelde, Sv(ede)rus de Bretlare, Gherardus de Eghethe en Ernestus Beyger en zijn borgman Johannes Voet met diens vrouw en zonen Florikinus en Rothgerus, met toestemming van al hun erfgenamen aan Commandeur en broeders van het huis (der Duitse orde) in Othmersem voor 70 mark en 30 sol. het huis Herscopinch, gelegen in de buurschap Righe (Ringe) en het kerspel Empninchem (Emlichheim), hebben verkocht en geleverd als een ‘vriey eghen’ goed, onder belofte van vrijwaring.
Op 9 april 1329 draagt Johan Graaf van Bentheim, met toestemming van zijn vrouw en kinderen, het eigendom van de hof Molthem in de Lutte, kerspel Oldenzaal, over aan ridder Everhard van Bevervoorde. Dit hof hadden de broers Rudolf en Gerard van Bevervoorde, zonen van Everhards broer, van hem in leen. In ruil daarvoor ontvangen zij het huis Veltherinc en de kotte Roderinc in kerspel Delden als erfelijk leen.
Op 9 april 1329 verklaart Johan Graaf van Bentheim dat hij de broers Rudolf en Gerard, zonen van de overleden knaap Johan van Bevervoorde, beleend heeft met het huis Veltherinc en de kotte Roderinch in het kerspel Delden. Getuigen zijn: Everhard van Bevervoorde, ridder, Adolf van Brantelget, Hugo Bare, Arnold van Schonevelde en Sweder van Bretlar, ‘Knappen’. De Graaf zegelt beide aktes.
Op 10 maart 1329 wordt Svedero de Breetlaer genoemd in een Aantekening over de rekening van de rentmeester van Twente.
1332. Die Kirche zu Uelsen erhielt einen Zehnten von der Familie Meierink aus dem Hause Sonnenbergrink, zu einem ewigen Lichte zur Ehre der seligsten Jungfrau Maria, wie der Bentheimsche Burgmann und Knappe Sweder von Bretlare mit seinem Siegel beurkundete[14].

 

Werner von Bretlar

Geboren rond 1305. Hij was onderschout (of verwalter) en richter van Hasselt tussen in ieder geval 28 juli 1331 en 1357 toen hij werd opgevolgd door Johan Alphertssoen.

28 juli 1331 (datum Haslethe die Dominica hora misse post festum beati Jacobi apostoli).
Wernerus de Breydelere, richter te Haslethe, oorkondt, dat Cop, zoon van wijlen Wernerus’ zoon Murren, verkocht heeft aan broeder Hermannus de Broke, priester, kellenaar, en broeder Conradus de Borgelene, leekebroeder in het klooster Clarholten, al zijn rechten op goederen, genaamd Lefhardink. Oorspr. (Inv. No. 1089) met het zegel van den oorkonder. Arch. Recht.

28 juli 1331 (datum Haslethe die Dominica post festum beati Jacobi apostoli).
Wernerus de Breydelere, richter te Haslethe, oorkondt, dat Hermannus, genaamd Hesling met diens vrouw Alheydis en hun zoon Albertus, verkocht hebben aan Hermanus de Broke, priester, kellenaar, en Conradus de Borgelen, leekebroeder van het klssoter Clarholten, optredende voor dit klooster, een rente van 1 emmer boter ’s jaars, gaande uit diens huis bij de Sede. Oorspr. (Inv. No. 1283 a) met het geschonden zegel van de oorkonder in groene was. Arch. Recht.

1344 Mei 2,  Wernerus de Brectlaer, richter in Hasselt, oorkondt dat Lubbertus ten Velde en Beatrix zijne echtgenoote verkopen aan Johannes, proost van Mons Sancte Marie in Zallandia, een jaarlijksche rente van een pond kleine penningen uit het erf bewoond door Wilhelmus van Wruchten, gelegen in Hasselt.
Datum anno Domini MCCCXLIIII, Dominica post Philippi et Jacobi apostolorum. Afschrift in inv.no. 3 bldz. 2324. Zie: Tijdr.reg. I bldz. 62. Nr. 23.

14 augustus 1344 (up unser Vrouwen avond de men heed assumptio Marie). Wilhelm Spaen, ‘prochelpape’ van het kerspel Hasselt, geeft zijn toestemming, dat de schepenen der stad en de raadslieden van de kerk een priester aanstellen om hun dagelijks een vroegmis te lezen. Met zegels van Spaen, Cijse van Ancen en Werneer van Breetlaer[15].

7 september 1346, Wernerus de Breetlaer, judex in Hasselt, oorkondt dat de gemeente van Bueldinghe met het convent in Haska hun geschil over een zeker tiend heeft bijgelegd, zo dat de gemeente van Bueldinghe als jaarlijkse pacht aan het convent uit de hoeven van Petrus, gezegd Blancke en Albertus Zudenna en de daartussen gelegen hoeven 1 mud zaad, half rogge half gerst, met uitzondering van de hoeve van Johannes de Rune, omdat deze niet van Wernerus de bezegeling dezer acte vroeg. Met verplichting voor het convent om hen, die het mud zaad op de hof in Antiquo Staphorst komen brengen, behoorlijk te onhalen, en verklaring dat bij wanbetaling de gerichtsbode van Hasselt de dubbele pacht mag invorderen[16].

1380, 1 april, Werner van Breetlaar, Rigter in Hasselt, doet kond, dat Lubbert ten Velde en Beatrix zijne vrouw, aan Johan den Proost en het Convent van St. Marienberg in Zalland, hebben verkocht en geresigneerd een pond kleine penningen uit het erf en huis in Hasselt, bewoond door Willem van Wruchten, gedurende het leven van den Proost door hem zelven en nades door het convent te trekken. (Tekst is in het Nederduits. Tegenwoordig: Tijdeman Hertwiks zoon, Henrik Winter en Hein Lutsardszoon, schepenen, alzmede Pelgrim en Tabelen, ingezetenen van Hasselt. T.R., A, 92)

 

Lubbert van Bretlaer

Lubbert werd geboren rond 1305, waarschijnlijk in of in de omgeving van het Overijsselse Hasselt. Over hem is niets anders bekend dan dat hij de vader was van Rode Goswin (zie hieronder).

 

Rode Goswin Lubbertsone van Bretlaer

Hij werd waarschijnlijk rond 1330 geboren in of in de omgeving van Hasselt.

1360 april 23. Op s.Gorgiusdach des hyligen martlers. Johan Alpharssoene, richter te Hasselt, oorkondt dat Rode Goswin Lubbertssone van Bretlaer aan Agnyse van Campen, non ten Zwartenwater, een rente van 1 pond Deventer munt uit een hofstede en maat te Stekerdrecht in het kerspel van Hasselt verkocht en gerechtelijk geleverd heeft. HS.: Afschrift in de Ligger van het Zwartewaterklooster, fol. 30 vs., in het R.A. in Overijssel. Regest: Van Doorninck, Register, I blz. 71

 

Johan van Breetler

Hij was, in ieder geval tussen 1362 en 1368, proost van het Zwartewaterklooster. Dit klooster was gelegen bij Zwartsluis, in de buurt van Hasselt. Johan van Breetler, naar alle waarschijnlijkheid dezelfde als Johan I[17] (genoemd in de regesten van het klooster) werd rond 1330 geboren. In 1368 wordt een kind aan hem ‘verkocht’, dat wil zeggen dat het kind, tegen vergoeding aan de ouders, aan het klooster werd opgedragen.

1362 juni 24. Zwolle. Datum Zwollis anno Domini millesimo trecentesimo sexagesimo secundo, ipso die b. Johannis Baptiste. Johannes, bisschop van Traiectum, verklaart op verzoek van Johannes, proost van het klooster Mons s.Marie in Zallandia iuxta Hasselt (Zwartewaterklooster), het wijdingsfeest van die kerk, dat tot dusver op s. Maria Magdalena werd gevierd, verplaatst te hebben naar de Zondag vóór die feestdag. (Hs.: Afschrift in de Ligger van het Zwartewatersklooster, blz. 5, in het R.A. in Overijssel. Regest: Van Doorninck, Register, I blz. 73.)

1364 maart 30. Dominica qua cantatur Judica. Henricus Zure, schout van Vullenho, oorkondt dat Johannes, proost van het klooster Mons s.Marie in Zallandia iuxta Nigram Aquam, met toestemming van de bisschop van Traiectum een rente van 2 ££ gekocht heeft van Bernardus de Bretlaer, thesaurier van s.Jan te Osnaburgum, uit land in Baerle in het kerspel Hasselt. Aantekening: Aangekondigd wordt het zegel van Henricus Zure. Onder de getuigen komt voor Geraerdus Mulaert, richter te Hasselt. Zie ook no. 367 (30 jan. 1368) (Hs.: Afschrift in de Ligger van het Zwartewatersklooster, blz. 23, in het R.A. in Overijssel. Regest: Van Doorninck, Register, I blz. 73.)

1368 januari 30. Des Sundaghes na Pauli Conversionem. Coep Wynekenszoene, schout te Hasselt, oorkondt dat Clawes Lammenzoene, zijn vrouw Gese en hun zoon Johan het goed te Baerle, dat vroeger was van Gerlog Betels, hebben verkocht aan heer Johan van Breetler, proost van het Zwartewatersklooster, en voor hem, schout, in het heimaal hebben geleverd. ( Hs.: Afschrift in de Ligger van het Zwartewatersklooster, blz. 29, in het R.A. in Overijssel. Regest: Van Doorninck, Register, I blz. 81.) Aantekening: Aangekondigd wordt het zegel van de schout. Zie ook no. 279 (10 maart 1364)[18]

 

Margarete von Bretler

Geboren rond 1330.

Margarete (Griete) von Bretler kauft 1359 gemeinsam mit Oden von Buren als Konventualin des Konvents Wietmarschen eine Rente[1].

[1] Bron: Das Johannisstift in der Osnabrücker Neustadt. Ein westfälisches Kollegiatstift und seine Stellung in der Welt zwischen 1011 und dem Beginn des 15. Jahrhunderts Inaugural-Dissertation zur Erlangung des Doktorgrades der Philosophischen Fakultät der Westfälischen Wilhelms-Universität zu Münster (Westf.) vorgelegt von Tobias Crabus aus Recklinghausen 2005

 

Bernhard de Bretlaer

Geboren rond 1330, was rond 1365 thesaurier van St. Jan in Osnabrück.

“Als Ergebnis eines langwierigen Prozesses kann sich Bernhard Bretlere im Streit mit Herbord Make um eine größere Pfründe an St. Johann 1337 durchsetzen, nachdem er in die Rechte des nach 1329 verstorbenen Hermann von Büren eingetreten war[1]. 1330 erhielt Bernhard eine einschlägige Provision[2]. Zwischen 1338 und 1353 ist Bernhard als Kanoniker belegt, anlässlich des Streits des Stifts mit Bischof Gottfried ist Bernhard Mitglied der Schiedskommission und zwar auf Seiten des Bischofs![3] Ab 1357 tritt Bernhard als Scholaster von St. Johann auf[4] , ab 1362 ist er als Thesaurar belegt[5]. Sein Amtsvorgänger als Scholaster, Liborius, ist zuletzt 1353 belegt, als er Bernhard vor dem städtischen Richter seinen Leibeigenen für sechs Schilling verkauft, mit Adolph Gripeshop ist ein neuer Scholaster ab 1361 belegt[6]. Ab 1370 ist mit Gottfried von Siegen wieder ein Thesaurar belegt[7].

1344 erwirbt Bernhard von dem Stiftsherrn Bernhard von Dincklage zwei Mark Rente aus den Erben Nyemanningh und Havikesberghe im Dorf Oldendorpe. Die anfänglich zugestandene Möglichkeit des Wiederkaufs innerhalb von zehn Jahren widerruft Bernhard 1353, nachdem die Testamentsvollstrecker des Verkäufers mit zwei Jahresraten in Verzug geraten waren[8]. Offensichtlich bekommt Bernhard die Erben wieder in die Hand und tauscht mit dem Knappen Johann von Ahlen einen Leibeigenen, der eines der Erben bearbeitet[9]. Weitere sechs Mark Zins aus diesen Erben erwirbt er von dem Osnabrücker Bürger Johann Mundersette, dessen Bruder Mönch in Iburg ist[10]. Ob Bernhard 1362 und 1365 auf eigene Rechnung oder als Thesaurar sechs bzw. 33 Schilling Renten erwirbt, ist nicht zu entscheiden[11]. 1352 kauft Bernhard als Testamentsvollstrecker des Dekans Nikolaus eine Rente von zwei Schillingen von dem Kürschner Gerhard Kock aus dessen Haus in der Rosenstraße[12].

1364 verkauft er eine Rente an den Propst des Klosters Marienberg/Zwartewater in der Diözese Utrecht[13].”

 

1364 maart 10. Dominica qua cantatur Judica.  

Henricus Zure, schout van Vullenho, oorkondt dat Johannes, proost van het klooster Mons s.Marie in Zallandia iuxta Nigram Aquam, met toestemming van de bisschop van Traiectum een rente van 2 ££ gekocht heeft van Bernardus de Bretlaer, thesaurier van s.Jan te Osnaburgum, uit land in Baerle in het kerspel Hasselt.

 

“1363 wird er als Exekutor eines Bremer Kanonikers eingesetzt, der auch in Münster bepfründet ist[14]. 1364 wird Bernhard unter den Subdelegierten des Konservators der Dominikaner, Albert von Braunschweig, Erzbischof von Bremen, genannt[15]. Im Folgejahr ist er einer der Exekutoren des Hermann de Grotenhiis bei einem Pfründentausch[16]. An vier Terminen verzeichnet das Stiftsnecrolog Memorien für Bernhard von Bretlere, ohne einen Todestag zu benennen[17]. Die erste Provision von 1330 erwähnt als Nonobstantie das Vikariat des LiboriusAltars im Paderborner Dom, die zweite Provision lautet auf die Expektanz einer Pfründe bei der Äbtissin von Herford[18]. Laut Provision stammt Bernhard aus der Diözese Utrecht und ist von ritterlichem Stand.”

 

(Bron: Das Johannisstift in der Osnabrücker Neustadt. Ein westfälisches Kollegiatstift und seine Stellung in der Welt zwischen 1011 und dem Beginn des 15. Jahrhunderts Inaugural-Dissertation zur Erlangung des Doktorgrades der Philosophischen Fakultät der Westfälischen Wilhelms-Universität zu Münster (Westf.) vorgelegt von Tobias Crabus aus Recklinghausen 2005)

[1] Rep 5, 226 (Ablehnung von Herbords Appellation gegen das Definitivurteil der zweiten Instanz); Rep 5, 231 = SCHWARZ, Regesten, Nr. 819f.: Entscheidung Benedikt XII. Der Prozess zog sich mindestens durch zwei Instanzen und eine Appellation. Der Prokutator Bernhards, Magister Gerhard von Rostock, tritt zwischen 1320 und 1341 mehrfach als Prokurator an der Kurie auf; vgl. die Zusammenstellung bei Schmidt: Papsturkunden in Norddeutschland, S. 247 und SCHWARZ, Regesten, Nr. 787; 792; 811. Gerhard tritt dabei mehrfach in Verbindung mit den Städten Hameln, Hamburg und Lübeck und deren Bürgern, sowie mit Klerikern des norddeutschen Raums auf. Exekutoren des päpstlichen Urteils sind der Bischof von Verden, Johann von Sleswich, der Dekan von St. Marien in Utrecht und Jacobus (de Actis) de Mutina, Scholaster von Toul und Rotarichter.

[2] MOLLAT, Lettres, Nr. 49711 (1330, Mai 30) = NIEHUS, Ämterbesetzung, S. 141, Nr. 66: als Nonobstantien wird die Ewigvikarie am Liborius-Altar (sine cura) am Dom von Paderborn genannt, als Exekutoren werden der Abt von St. Paul in Paderborn (Berthold), der Dekan von Deventer und Magister Nikolaus de Fractis eingesetzt.   

[3] Rep 3, 234; Rep 5, 1340, November 4; Rep 5, 250; 1339, Februar 25; Rep 5, 289; Rep 5, 338; Rep 5, 377; Rep 5, 378; Rep 5, 379; Rep 5, 380; Rep 5, 382: Vorschlag des Schiedsgerichts: Konrad von Essen, Domdekan; Konrad von Gesmold, Dekan zu St. Johann; Heinrich Top und Balduin von Horst, Domherren und Bernhard von Bredelar [Bretler], Kanoniker von St. Johann; Rep 5, 383; Rep 5, 384: Mitglieder des Schiedsgerichts: Heinrich Top, Propst zu Wiedenbrück, Balduin von Horst, Domherr, Bernhard von Bredelar, Kanoniker von St. Johann; auf Seiten von St. Johann: Konrad von Essen, Domdekan; Konrad von Gesmold, Dekan von St. Johann; Rep 5, 385.

[4] Rep 5, 414: Zeuge in einer Schenkung des Rudolf Kulinck, Rektor des Sebastian- und Fabian-Altars an Johann von Lübbecke, Rektor des Dreifaltigkeits-Altars in der Matthäuskapelle bei St. Johann zur Stiftung einer Memorie; Rep 8, 108 (1358, September 19): Rentenverkauf des Osnabrücker Bürgers Gobelin genannt Rodinchus an Johann genannt Vromodinch (Zeuge).

[5] Rep 5, 465; 480; WEHBRINK, Aus dem Preußischen Staatsarchiv, Nr. 33 (1370, November, darin Transsumpt zu 1364, August 6)

[6] Rep 5, 375; Rep 5, 1361, August 9.

[7] Rep 5, 514.

[8] 3Rep 5, 294; vgl. zu den Erben SCHMIDT-CZAIA, Wiedenbrück, S. 158. 1352 bezeugt Bernhard einen Verkauf Bernhards von Dincklage, Rep 5, 367.

[9] Rep 5, 376. Den von Bernhard zum Tausch angebotenen Leibeigenen hatte er erst einen Tag zuvor vom Stiftsscholaster Liborius erworben; vgl. Rep 5, 375.

[10] Rep 5, 372. Als Zeugen sind anwesend: Johann von Schagen, Propst zu St. Johann, Rabbert von Holsten, Kanoniker ebenda, Gerhard von Dreyhusen, dessen Sohn Otto.

[11] Rep 5, 465; 480: … pro se et illo seu illis qui presentem literam de et cum sua voluntate habuerunt seu habuerint.

[12] Rep 5, 1352, Februar 1. Die anderen Exekutoren sind: Detmar von Unswitha, Giselbert von Elrebeke, Heinrich genannt Albus, Vikare an St. Johann.

[13] 8Historisch Centrum Overijssel: HAGA, Voorlopige inventaris. Der Verkauf geschieht vor dem Schultheißen des Ortes Vollenhove. Zum Kontext vgl. DAMEN, Benediktinessenklooster, S. 88f.

[14] HAYEZ, Lettres, Nr. 4804 (1363, Juli 12): Gottschalk Pistoris, Kanoniker am Dom zu Bremen und Propst von St. Willehadi, erhält ein Kanonikat und eine Reservation für eine Präbende und eine Obödienz am Bremer Domstift; Kanonikat und Präbende an St. Martini in Münster muss er aufgeben; zu Exekutoren werden der Dekan von St. Martini in Münster (Dietrich), der Thesaurar von St. Johann und der Erzpriester von St. Desiderius in Avignon bestellt.

[15] Rep 10, 33 = WEHBRINK, Aus dem Preußischen Staatsarchiv, Nr. 33 (1370, November), inseriert die Urkunde von 1364, August 6: mit ihm werden genannt: Abt Konrad [II.] von St. Paul in Paderborn (= Abdinghofkloster), Wedekind de Monte, Propst; Friedrich Dumen, Dekan; Johann von Heymborch, Scholaster von Minden, Johann von Schagen, Propst, Konrad von Gesmold, Dekan, Bernhard von Bretler (de Vrettere) Thesaurar von St. Johann in Osnabrück, Dietrich, Dekan von Busdorf in Paderborn, und der Dekan des Alten Doms in Münster (Gerhard von Weddern).

[16] HAYEZ, Lettres, Nr. 12152 (1363, November 7): Hermann de Grotenhiis, erhält Kanonikat und Präbende am Dom zu Paderborn, frei durch Resignation des Wenemar de Wictene, anlässlich eines Pfründentauschs gegen Kanonikat und Präbende in Dülmen, die Hermann resigniert; zu Exekutoren werden der Dekan von St. Agricola in Avignon und die Thesaurare von St. Johann in Osnabrück und Oldenzaal bestimmt.

[17] 26. März; 26. Juni; 19. September; 14. Dezember

 

 

Johann von Bretlaer

Geboren rond 1350, waarschijnlijk te Bentheim, overleden na 1418 te Oldenzaal. Robert vom Bruch vermeldt dat Johann in 1385 als bijzitter optrad voor het gerecht te Uelsen. Wellicht, zo schrijft vom Bruch verder, is deze Johann dezelfde als de burger van Neuenhaus die in 1418 de huldiging van de stad aan bisschop Frederik van Utrecht mede onderzegelde. In zijn boek uit 1805 geeft Von Raet hier meer zekerheid over. Hij schrijft in paragraaf 155: Diversorium des Bischofs Friedrich von Blankenhem, ein Verzeichnis derer Raths-Personen und Bürger, welche diesen Fürst-bischofe zu Neuenhaus die Huldigung leisteten, wie Er dort war, nämlich die Scheffen (…) und folgende Bürger: (…) Johann die Breteler (…)”. In een voetnoot bij onder andere Johann die Breteler staat: Ehemale Burgmann (…) beide jetzt Familien in Oldenzel”. Hieruit kan worden afgeleid dat deze Johann zich enige tijd voor deze gebeurtenis – Friedrich von Blankenheim werd in 1393 bisschop van Utrecht – in Oldenzaal vestigde of hier al eerder woonde. Het is aannemelijk dat hij de stamvader is van de Bretelers uit Oldenzaal.

 

Sweder von Bretlare

Geboren tussen 1350 en 1360. Hij wordt genoemd op pagina 1 van het kerkboek[19] van Uelsen dat vanaf 1402 werd bijgehouden.

 

Reconstructie

Op grond van de bovenstaande personen en de plaatsen (Bentheim, Hasselt en Uelsen) waar zij aan verbonden zijn, kan met heel veel slagen om de arm een voorzichtige reconstructie worden gemaakt.
Werner von Bretlar is de vader van Sweder. Zoveel is zeker.

Uit de volgende akte uit 1360 blijkt dat ene Sweder, getrouwd met Kunne NN.,  een zoon Sweder en een broer Werner had.

1360 Mai 31 {in octavas Pentekosten}      Hav.IV.Uk2

Zveder van Bretlere überträgt mit Willen seiner Frau Kunne und ihres Sohnes Zveder dem Johan van Langhen, Herrn Rolves Sohn, als Pfand (weddescat) seinen großen und schmalen Zehnten zu Gleesen (Glezen) im Kirchspiel Emsbüren (Buren) in der Bauerschaft Gleesen von den Erben (hus) Nasselingh, Hinrekinch, Gozwen Rodingh (over Gozewens hus to Glezen heten Rodingh), Hadewerdinch und Hesselingh für 18 Mark. Zveder und seinen Erben bleibt die Ablösung jährlich zu Mittwinter für 18 Mark zu Münster gängiger Pfennige vorbehalten. Zveder und sein Bruder Werner van Bretlere versprechen Währschaft vor dem Lehnsherrn des Zehnten. Sollte Zveder den Zehnten verkaufen, hat Johan van Langhen das Vorkaufsrecht. Zveder und sein Bruder Werner siegeln.

Ausf.-Perg., 2 anh. Siegel: 1. Sweder von Bretlar (schildförmig; Rand beschädigt; Umschrift: … de Bredla…; Bild: Helm mit Flügeln rechts und links), 2. ab. Rückseite: Inhaltsvermerk; wegen den tenden zu Hesepe; Signatur (N. 77).[1]

Gelet op de gemiddelde levensverwachting in die tijd en het feit dat de eerstgenoemde Sweder volgens Vom Bruch na 1348 niet meer in aktes voorkomt, kan worden aangenomen dat hij rond deze tijd is overleden. De Sweder uit de hierboven genoemde akte is dan waarschijnlijk zijn zoon, geboren rond 1310 en overleden na 1364.

De tweede Werner is vanaf 1331 onderschout te Hasselt. Wanneer hij de oudste zoon van de eerste Werner zou zijn, werd hij waarschijnlijk na Sweder geboren, rond 1290. Een andere mogelijkheid is dat hij de in de aangehaalde akte broer van Sweder is, dat hij ook hij rond 1300 werd geboren en vernoemd naar zijn grootvader Werner.

[1] Bron: Emsländische und Bentheimer Familienforschung Juli 2017, Heft 140, Band 28

De tweede Werner is vanaf 1332 onderschout. Wanneer hij de oudste zoon van de eerste Werner zou zijn, is hij waarschijnlijk voor Sweder geboren, rond 1280. Maar wanneer hij het ambt van onderschout inderdaad iets meer dan 50 jaar heeft bekleed tot circa 1380, is dit onwaarschijnlijk. Het ligt dan meer voor de hand dat hij de zoon van Sweder is, dat hij rond 1305 werd geboren en vernoemd naar zijn grootvader Werner. Opvallend is dat deze tweede Werner, Johan, de proost, en ook Bernhard alle drie worden genoemd in de regesten van het Zwartewaterklooster. Dit suggereert verwantschap. Johan koopt een jaarlijkse rente van Bernardus, Werner maakt bekend dat Johan gedurende zijn leven voordeel heeft uit een erf en een huis in Hasselt. Hier hangt op zijn minst een luchtje van onderlinge bevoordeling aan. De geschatte geboortedata (Werner circa 1290-1300, Johan circa 1330, Bernhard circa 1330) zouden kunnen betekenen dat Werner de vader van Johan en Bernhard was, maar er zou ook sprake kunnen zijn van een oom en twee neven. Margarete von Bretler is eveneens waarschijnlijk rond 1330 geboren. Misschien was zij een zus van Johan en Bernhard.

Lubbert is mogelijk rond 1305 geboren. Daarmee zou hij een tweede zoon van Sweder kunnen zijn. Johan en de tweede Sweder worden beiden in relatie tot Uelsen genoemd. Het zouden broers kunnen zijn.

Johan von Bretlaer (of Johann die Breteler) werd circa 1350 in Bentheim geboren en overleed na 1418 te Oldenzaal, waar hij zich waarschijnlijk rond 1393 vestigde. Hij zou een zoon kunnen zijn van de Johan die rond 1330 werd geboren.

Rond 1475 wordt dan nog ene Geert Breteler geboren. Hij betaalt in 1504 in Zwolle een maandrekening. Over hem is verder niets bekend.

 

 

Voetnoten

[1] Bron: Osnabrücker Urkundenbuch: Die Urkunden der Jahre 1281-1300 und Nachträge; Max Bär, Friedrich Philippi, Historischer Verein zu Osnabrück, Osnabrück 1902.

[2] Een leenregister van heer Henrick van Ottenstein, Stichting Stad en Heerlijkheid Borculo. A.J.H. Kamps, Ottensteinse leenaantekeningen in: ‘t Inschrien, 28 jrg., nr. 4 (okt. 1996).

[3] http://www.vanbatenborgh.nl/publicaties/gelderse_familierelaties/vanbesten

[4] Das Rittergut Wolda und die reformierten adligen Familien im Kirchspiel Emlichheim; in Jahrbuch Heimatverein der Grafschaft Bentheim jrg 1956, dr. Ludwig Edel

http://www.altreformiert.de/beuker/laar/Jahrbuch-HV-1956-70-73.pdf

[5] Ronald Stenvert, Chris Kolman, Ben Olde Meierink, Jan ten Hove, Marieke Knuijt en Ben Kooij, Monumenten in Nederland. Overijssel. Rijksdienst voor de Monumentenzorg, Zeist / Waanders Uitgevers, Zwolle 1998

[6] Der Flurname Bretler ist noch jetzt bekannt. Das Grundstück ist neuerdings bebaut und wird die Neustadt genannt. Der Hof Bretler war in Spätmittelalter je zur hälfte im Besitz der beiden Familien von Beesten und von Münster und bestand noch um 1540 (vgl. Darpe, Cod. trad. Westf. V 88), war dagegen 1568 wüst. Damals wird seine Lage beschrieben: “im Kerspel Bentheim an der Zittenburch vor dem Walde”(Edel). Die Zittenborch wird 1568 genannt, der Zittenkamp noch 1680. Die Zittenstegge ist die heutige Bahnhofstrasse in Bentheim (Edel). Ob das merkwürdige Stammwort Zitten auf die Familie von Dedem zur:uckgeht, ist fraglich.

[7] Nicht mehr nachzuweisen.

[8] Der Wald ist natürlich der Bentheimer Wald nördlich des Schlosses.

[9] Eine Windmühle vor der Burg Bentheim zeigt noch die Ansicht der Burg von 1674 (…).

[10] Overdinkel, Kerspel Losser, Overijssel, Niederlande.

[11] Das Lehnregister des Grafen Otto von Bentheim (1346-64) von Joseph Prinz; Osnabrück, 1941.

[12] De Registers en Rekeningen van het Bisdom Utrecht, 1335-1339. Uitgegeven door Mr. S. Müller, Deel I, Werken van het Historisch Genootschap, gevestigd te Utrecht, Nieuwe Serie no. 53; Den Haag 1889

[13] J.J. Von Raet von Bügelskamp: Beyträge zur Geschichte Westphalens, zugleich Versuch einer Provinzialgeschichte der merkwürdigen Graffschaft Bentheim. Münster, 1805

[14] Grafschafter Schuhlgeschichte, Volksschule Uelsen, Bd. 1, Neuenhaus 1912. (Of in de oorspronkelijke tekst in Historia antiquissima comitatus Benthemiensis, libri tres, door Johann H. Jung. LXX Swederus de Breetlare famulus Castellanus in Benthem testatur, a Nicolao Meyerinck, ejusque filiis, Decimam domus dixtae Sonnenberginck collatam esse ecclesiae in Ulzen, ad luminare in honorem B.M.V. perpetuu reparandum.

[15] W.J. Formsma, De oude archieven der gemeente Hasselt, 1959. Register van de oorkonden tot 1599. Nr. 5. oorspronkelijk in inv. nr. 998.

[16] Archief Abdij Dikninge, inv.nr. 1, fol. 49bv, reg. 50

[17] Johan II (Johan van Griethusen of Greethusen) wordt als proost vermeld van 1509 tot en met 1527.

[18] Ter Kuile, Overijsselse Oorkonden 1350-1450, deel I, 1350-1400

[19] Das alte Kirchenbuch des Kirchmeisters von Uelsen mit Nachrichten ab 1402. Abgeschrieben mit Erläuterungen von Dr. L. Edel im Jahre 1955.