Het Ripperda te Lonneker

Het voormalige jachtslot “Het Ripperda” te Lonneker

Oudere autochtone inwoners van de Linderzijde in de Lonnekermarke weten heden ten dage nog de plek aan te wijzen waar voorheen een adellijk gebouw gestaan heeft dat in de volksmond werd aangeduid als het jachtslot van Ripperda. Omdat genoemd feit in de vergetelheid dreigt te raken wil ik, als nazaat van de naaste buur van het slot, proberen er weer enige bekendheid aan te geven.

Dat wil ik doen door weer te geven wat hierover geschreven is en wat er door familieoverlevering over verteld is.

De plaats waar genoemd gebouw gestaan heeft is thans voor niet ingewijden zeer moeilijk terug te vinden. Het terrein is in het verleden meerdere keren omge­woeld. Enkele jaren geleden is dat zo drastisch gebeurd dat de nog zichtbare herkenningspunten van de vroegere grachten etc. alle verdwenen zijn. Om de plaats toch nog enigszins aan te kunnen duiden moet ik mij beperken tot het adres van het erf waar het gebouw het dichtst bij gestaan heeft, n.l. het erf „De Roosker”, vroeger bekend onder de naam Breteler, aan de Lossersestraat 170 te Lonneker. Het erf wordt nu be­woond door de familie Wagelaar. Tussen dit erf en het plaatsje „Slotjan” heeft het voormalige jachtslot Ripperda gelegen als een soort havezate met een gracht rondom. De plek was door de stichter goed gekozen, schijnbaar met veel kennis van het terrein. Het was ge­bouwd aan de oostelijke flank van de Kleine Linderes, ook genoemd Viekers-es. Deze es ligt op een stuwwal, ontstaan in de ijstijd die voor Twente de water­scheiding tussen Regge en Dinkel be­paalt. Genoemde stuwwal loopt door tot het Aamsveen. Wellicht heeft Enschede aan genoemde waterscheiding haar naam te danken.

Uitzicht

De plaats van het slot was om meer dan één reden goed gekozen en niet het minst om het prachtige uitzicht dat men vanaf deze plek in die tijd gehad moet hebben. Over een oud erosie dal, in de omgeving bekend onder de namen „De Riet”, „De Gött” of „’n Greunn Plas”, kon men bij helder weer van hieruit de heuvels van Gildehaus alsook het slot Bentheim zien liggen. Hoge bomen vooral aan de hori­zon beletten thans dit uitzicht. Dat dit panorama nog niet zo lang geleden nog steeds bestond blijkt uit een beschrijving die voorkomt in de Gids van Twente uit gegeven door de uitgeversmaatschappij G. Misset te Doetinchem in 1918. Ik citeer: Eerst in oostelijke richting, vanaf dorp Lonneker, over een es en verder over een uitgestrekte heide waar men aan de einder Gronau en de heuvels van Gilde­haus ontwaart. En dat nog aan het begin van deze eeuw!

Vanaf het plateau van de stuwwal ont­springen diverse kleine beekjes, o.a. de Roombeek, die hun weg vonden naar Regge of Dinkel maar thans of door ver-graving of regulering bijna niet meer opvallen in het landschap. Op de westelijke flank is op het landgoed De Welle een vijver aangelegd die door het water af­komstig van dit plateau gevoed en op peil gehouden wordt. Op een lager gelegen punt op het landgoed ontspringt zelfs een bron of wel, die samen met een paar andere beekjes, ook van dit plateau af­komstig, voorheen zorgden voor de wa­tervoorziening van de Lonneker Stoom-blekerij, beter bekend als „Het Steumke”. Aan de wel heeft het landgoed haar naam te danken Voor de eerder genoemde vijver heeft men in de volksmond de naam „Weln Kom” bedacht, omdat deze vijver als een zwaluwnest tegen de glooiing van het plateau geplakt is en het water als in een kom opvangt en vasthoudt.

Aan de oostelijke of Dinkelkant treffen we dezelfde situatie aan. Bij het vormen van de gracht rondom het jachtslot heeft men daar dan ook dankbaar gebruik van gemaakt. Aan de hoge kant werd een gracht uitgegraven en met het vrij geko­men zand aan de lagere kant een wal gevormd. Water was voldoende aanwezig om de gracht vol te houden. Er was een spaarbekken ontstaan waar mis­schien zelfs nog eens een watermolentje gedraaid kan hebben. Aan de kant van het erf Breteler kon men door een uit­loop, die nog lang zichtbaar aanwezig was, naar believen de gracht reguleren. Op het erf Breteler rustte het recht van oliemolen maar daarover is weinig be­kend.

Dat het systeem van gracht aanleggen zoals hier is toegepast niets nieuws is blijkt uit het feit dat de stad Enschede dit op dezelfde manier heeft aangewend. Het hoogteverschil is daar echter beduidend minder, maar het werkte perfect. Om het mogelijk overtollige water in de gracht te kunnen lozen was een overloop aan de kant van de Mooienhof.

Leem en klei

Het terrein waarop het huis „Ripperda” eens gestaan heeft was tussen de grach­ten vlak gemaakt zodat men een prima bouwterrein had verkregen. Volgens mondelinge overlevering was het geen groot huis of luxe behuizing. Het hoofdgebouw bestond uit een grote woonto­ren van een paar verdiepingen, opgetrok­ken van een groot soort baksteen, de bij­gebouwen grotendeels uit hout met vak­werk en lemen wanden en vloeren. Deze bouwstijl was in deze omgeving gebrui­kelijk in die tijd. Leem en klei waren in de naaste omgeving ruimschoots voorhan­den. Perceelsnamen als „Leemland”, „Leempoel” en „Kleistad” wijzen in die richting en deze liggen in de naaste om­geving. De toegang tot het kasteeltje was vanaf de huidige Rooskerweg. Via een houten brug, waarschijnlijk een ophaal­brug, kwam men op het slotterrein waar­omheen de gebouwen gegroepeerd wa­ren. Resten van de brug waren zo rond de eeuwwisseling nog aanwezig als een stille getuige van de dagen van weleer. Het is jammer dat de gegevens van een onder­zoek in dezelfde tijd ter plekke gedaan door de heren A.A.C, ter Kuile, J. van Deinse en C.J. Snuif niet meer voorhan­den zijn.

We moeten ons behelpen met gegevens die zijn overgeleverd door mensen die hebben meegeholpen graafwerk te verrichten.

Uit deze gegevens komt het volgende naar voren. Doordat de pachter het ter­rein al jarenlang benut had als bouwland en dit terrein al merendeels geëgaliseerd was, werden er weinig resten gevonden. Enkele grootformaat bakstenen en een paar resten van glas in lood ramen waren de schamele buit. Door dwarssleuven te graven hebben ze nog geprobeerd een overzicht te krijgen van de grootte van de gebouwen maar met weinig resultaat. Veel meer dan verkleuringen in de onder­laag kon men niet vaststellen. Alles was grondig verwijderd tot en met de funde­ring. Al met al een mager resultaat dat in grote trekken overeenkwam met de volksoverlevering. Ook een onderzoek, gedaan naar eventuele resten van dit huis die misschien gebruikt konden zijn voor verbouwing etc. aan huizen in de naaste omgeving, hadden evenmin resultaat. Geen balk of steen werd er gevonden. Bij het graven van een kuil in 1945 in de omgeving van de vroegere gracht aan de zijde van de boerderij werden enige res­ten gevonden van aardewerk uit de 17de eeuw. Deze waren kennelijk vanuit de keuken in de gracht beland. De vraag blijft waarom en hoe alles zo spoorloos kon verdwijnen.

Huize Bretelaer

Het huidige erf De Roosker stond in de tijd van de stichting van het „Ripperda” vermeld als Breteler, Bretler en Bretlaer. Het is een zeer oud erf dat al vroeg in de geschiedenis vermeld wordt. Het terrein waarop het kasteeltje gestaan heeft wordt nu nog aangeduid met de perceelsnaam „’n Hoesplas”. Stukken grond in de naaste omgeving van dit terrein staan te boek als „Het Hofstuk”, en „’n Hof”. Verder lag er achter het plaatsje „Slotjan” nog een „visscherij” die zeer lang intact ge­bleven is en als perceelsnaam nog bekend is. Het plaatsje „Slotjan” maakte geen deel uit van het Breteler maar was zelf eigenaar. Namen als „Den Hof” en „Vis­scherij” duiden wel op een zekere allure van het kasteeltje en de omgeving waar het zeker goed wonen geweest moet zijn. Ook gezien de ligging kunnen we dat rustig aannemen.

Jonkheer Caspar van Loen

Ofschoon de plaats waar vroeger het adellijk huis gestaan heeft steevast wordt aangeduid als „’n hoesplas van het jacht­slot van Ripperda” was de stichter van dit huis geen Ripperda maar Jr. Caspar van Loen van de Nije Borgh te Enschede. De Nije Borgh bevond zich ongeveer op het huidige van Loenshof. Wat was de beweegreden van Caspar van Loen om op deze plek een huis te bouwen? Was het bedoeld als een tweede huis?

In de eerste plaats was het erf Breteler eigendom van Caspar van Loen. In het verpondingsregister van 1601 wordt ver­meld Breteler togehoerende Caspar van Loen, licht woste. Dit was voor die tijd niet zo verwonderlijk omdat enkele jaren daarvoor, 1585-1587, in deze omgeving de pest had huisgehouden, waaraan veel mensen overleden waren. Het wil niet zeggen dat Breteler onbewoond was. Jr. Caspar van Loen, afkomstig uit Rüden bij Paderborn, was gehuwd met Margaretha van Scheven, dochter van Roelof van Scheven en Anna van Senden van de Borch Enschede. Zij was eerder gehuwd geweest met Gerlach de Bever. Haar eer­ste huwelijk was kinderloos gebleven maar uit het huwelijk met Caspar van Loen werd een zoon geboren. Hij ontving de namen Johan Rolof Gerlach, naar de beide grootouders en naar haar eerst man Gerlach de Bever. Margaretha van Scheven overleed in 1607.

Haar zoon erfde de goederen van zijn moeder, o.a. de Nije Borgh, die tot aan zijn meerderjarigheid wel door zijn va­der Caspar van Loen beheerd zullen zijn. Hij zal dus ook nog wel enige jaren op de Nije Borgh gewoond hebben, ook nadat hij voor de tweede keer gehuwd was. Hij hertrouwde met Theodora van Munster tot Harsevoort. Het huwelijk van zijn zoon Johan Rolof Gerlach, in 1625, met Casparina van Bulo zal het noodzakelijk gemaakt hebben om uit te kijken naar een andere behuizing. We komen Caspar van Loen in 1627 dan ook tegen onder de titulatuur van Jr. Caspar van Loen van Bretelaer tot Harsevoort en hij zal toen vermoedelijk op het Breteler gewoond hebben. Voordat hij het huis bouwde wa­ren er met de gewaarden van de Marke Lonneker enige strubbelingen geweest over de plaats van het huis. In eerste instantie heeft hij een poging gedaan om te bouwen op „Het Voort” op vrije markengrond hetgeen niet toegestaan was zonder toestemming van de gewaarden van de Lonnekermarke. In de verslagen van de Holtings van de Lonnekermarke vinden we dan ook in het jaar 1611 vermeld, dat Caspar van Loen een „getim­merte” geplaatst had op „Het Voort”. Door de gewaarden van de Lonnekermarke werd hem gelast het getimmerte af te breken. Wel werd hem toegestaan te bouwen op een plaats in de naaste omgeving, n.l. op het „Kleine Vaert” of op een „camp”, beide in de omgeving van „Het Voort”, die eigendom waren van Caspar van Loen. Dit zinde hem blijkbaar niet, want hij bleef koppig vol­houden om het getimmerte te voltooien. In de holting van 1614 werd na veel geharrewar besloten dat Caspar van Loen de boel moest afbreken. Mocht hij hier­toe niet besluiten dan werd het bouw­werk door de gewaarden afgebroken op kosten Van Loen. Daarna is Caspar van Loen, noodgedwongen, overgegaan tot het bouwen op Het Breteler, zodat we de stichting van het huis kunnen stellen tus­sen 1615 en 1620.

Mogelijk is het de eerste jaren alleen maar ‘s zomers bewoond geweest en heeft hij er zich na het huwelijk van zijn zoon voorgoed gevestigd.

Caspar van Loen op den Bretelaer

Het schijnt dat Caspar van Loen dank­baar gebruik gemaakt heeft van het Twaalfjarig Bestand (1609-1621) om on­gehinderd te kunnen bouwen op het Bre­teler. Als katholiek gebleven edelman zal het voor hem niet altijd even gemak­kelijk geweest zijn om te doen of te laten wat hij wilde. De katholieke godsdienst was sinds 1585 officieel verboden en haar aanhangers uitgesloten van alle openbare ambten zodat het voor iemand zonder inkomsten moeilijk was de eind­jes aan elkaar te knopen.

Uit het huwelijk van Caspar van Loen en Theodora van Munster tot Harsevoort werden drie kinderen geboren, n.l. Batina, Adolf Hendrik en Frans Roeland. Batina huwde in 1639 met Rutger van den Boitzelaar, Heer van Toutenburgh etc., „Landdrost to Coverden”. Een op­merkelijk huwelijk voor een dochter van een landjonker die bovendien nog katho­liek was, want we kunnen stellen dat de landdrost van Coverden van een andere gezindte geweest is, gezien zijn functie. Voor de drost was het zijn derde huwe­lijk, dat evenals de vorige kinderloos bleef. Adolf Hendrik was overste en Frans Roeland ritmeester, voor zover be­kend in Munsterse krijgsdienst.

Zover we kunnen nagaan zal de familie van Loen tot ongeveer 1644 op huize Bretelaer gewoond hebben. Wat aanvan­kelijk zo voorspoedig begonnen was ein­digde door tegenspoed minder rooskleu­rig. We kunnen het jaar 1643 voor de familie van Loen bestempelen als een rampjaar. In dat jaar overlijden drie mannelijke leden van de familie waaron­der de erfopvolger van het Bretelaer. In juni 1643 overleed Adolf Hendrik, de erfopvolger, nog ongehuwd. Daarna in november 1643 de zoon uit het eerste huwelijk, Johan Rolof Gerlach van de Nije Borgh en tenslotte in december 1643 Caspar van Loen op de Bretelaer. De klap kwam hard aan en bracht de nabestaanden nog meer in financiële moeilijkheden dan al het geval was. Nog maar nauwelijks bekomen van de kosten van het huwelijk van Batina, in 1639, kwam de begrafenis van Adolf Hendrik met alle pracht en praal als overste wel zeer ongelegen. Dit blijkt ook wel, want op 23 juni 1643, kort na de begrafenis, leent Caspar van Loen 275 gulden om de onkosten van de begrafenis van Adolf Hendrik te kunnen dekken.

Te gelde

Het familiebezit vermindert dan ook zienderogen. Achter elkaar gaan hun be­zittingen over in andere handen. Eerst de erven Hofstee in de Esmarke, dan Drienerhorst, Kleine Vaert, Breteler, Vieker, Wallenbeck, Balhaer en Schuyrinck. Ook de tienden uit de erven Roelvinck en Spölminck in de Lonnekermarke en een hooimaat, het Nije Beslach, werden te gelde gemaakt. Op het moment dat de laatste bezittingen verkocht werden woonde de familie niet meer op huize Bretelaer, gezien de schriftelijke vol­macht die de weduwe van Loen op 29 november 1647 vanaf Haus Hertzvort bij Munster gaf aan haar zoon Frans Roeland om de laatste verkopen af te wikkelen. Het tijdperk van Loen op den Bretelaer was door omstandigheden vroegtijdig beëindigd.

Toch hebben m.i. niet alleen financiële zorgen een rol gespeeld bij het besluit hun goederen in deze omgeving te verko­pen, maar ook, en niet in het minst, maat­schappelijke. Immers, de oudste zoon Adolf Hendrik, erfopvolger op den Bre­telaer, was kinderloos overleden. Batina, gehuwd met de drost van Drenthe, was ook kinderloos en Frans Roeland ver­bleef in Munsterse krijgsdienst. Met het einde van de tachtigjarige oorlog in zicht, de onderhandelingen waren al een paar jaar bezig in Munster, vanaf 1644, was het niet gunstig hier bezittingen te hebben. Ze zullen ze ook om die reden hebben afgestoten.

Voor Frans Roeland bleef dan over het erfdeel van zijn moeder Haus Hertzvort in een voor hem vriendelijker omgeving. Frans Roeland, gehuwd met Ulanda Sophia van Loen, overleed in 1669. Dr. van Benthem meent te weten dat het adellij­ke geslacht van Loen d’ Enschede, dat voorkomt onder de Belgische adel, af­stammelingen zijn van Frans Roeland van Loen.

De erven Breteler, Vieker en Wallen­beck waren in handen gekomen van Berent Paschen, een bekend koopman in die dagen te Enschede. Hij schijnt niet op huize Bretelaer gewoond te hebben. Op 11 december 1661, het huis was dus ze­ventien jaar onbewoond geweest, ver­koopt Berent Paschen het Huis Breteler en genoemde erven aan Elisabeth Harlet en haar zoontje Amelis Ripperda. Elisa­beth Harlet, die niet gehuwd was, had van Wilhelm Ripperda, Heer van Hen­gelo, Boxbergen en Boekelo, twee kinde­ren, n.l. Amelis en Herman Otto die bei­den de naam Ripperda droegen. Wil­helm Ripperda was een invloedrijk man in Twente en was o.a. afgevaardigde voor de provincie Overijssel bij de onderhan­delingen te Munster die uiteindelijk leid­den tot het beëindigen van de Tachtigja­rige Oorlog in de Nederlanden en de Dertigjarige Oorlog in het naastgelegen grensgebied.

Al in 1650 kocht hij het erf De Beuker in de Lonnekermarke voor zijn zoon Ame­lis. Bedoeld erf was voorheen eigendom geweest van de Heren van Bentheim die door de Dertigjarige Oorlog in financiële moeilijkheden waren gekomen en het erf verkochten. Wilhelm Ripperda, gehuwd geweest met Aleid van Boekhorst, die in 1642 was overleden, heeft alles in het werk gesteld om met Elisabeth Harlet te trouwen om zodoende de toekomst van zijn kinderen te verzekeren. Familie belangen schijnen dit belet te hebben. Op zeventigjarige leeftijd doet hij nogmaals een poging, maar verder dan twee kerke­lijke proclamaties kwam het niet. Hij was vol goede moed, maar de tijd was voorbij. Kort voor zijn huwelijk is hij op 12 september 1669 overleden.

Wel had hij nog in 1668 gedaan gekregen dat zijn beide zonen het klein burger­recht verkregen van de stad Zwolle, waarvoor zij, toen ze meerderjarig wa­ren, de burgereed aflegden. Amelis en Herman Otto bleven zich gedragen als volwaardige Ripperda’s en tekenden en zegelden overeenkomsten etc. dan ook met het wapen der Ripperda’s, een ruiter te paard.

In de omgeving heb ik weinig kunnen terugvinden van deze familie. Herman Otto verschijnt in 1698 als goedsheer op de Lonneker Holting en op 13 maar 1701 als getuige voor het stadsgericht Ensche­de bij het opstellen van een testament. Elisabeth is na het overlijden van Wil­helm Ripperda naar het schijnt in het huwelijk getreden. Uit een acte van 25 juni 1680 blijkt dat Elisabeth Harlet – ik neem aan dat dit de moeder is van de beide Ripperda’s – en haar man Theodorus Grotenhoff een huis gekocht hebben te Enschede.

Volgens overlevering heeft het huis nog enige jaren onbewoond dienst gedaan als jachtslot. Aan deze laatste functie heeft het de naam te danken die tot op heden nog bekend is bij bewoners van de Linderzijde in de Lonnekermarke. Bij een van de jachtfeesten is het huis in brand geraakt, zo wil de overlevering, en onherstelbaar verwoest, waarna het afgebro­ken werd. Van het huis en zijn bewoners zijn geen geschreven bronnen achter­haald, alleen de herinnering die indruk gemaakt heeft op de omwonenden is be­waard gebleven. Niet veel meer dan een eeuw heeft het huis bestaan.

Notarisakten

Op de Lonneker Holting van 27 juni 1761 verschijnt als goedsheer van het erve Breteler, Hermannus Stroink. Ook Jan Breteler verschijnt op dezelfde holting en bewijst door het tonen van een koopbrief eigenaar te zijn van het halve Breteler. Het erf was toen al gesplitst. Dit blijkt ook uit notarisakten van 1815 en 1816.

Voor mij Gerrit Pennink, notaris, te En­schede, compareerde Jenneken Helmers, wed. Jan Breteler, landbouwersche in Lonneker, welke aan mij heeft voorgezegd. Ik geef en make aan mijn zoon Gerrit Breteler mijn huis en lande­rijen zijnde dat gedeelte van het erve Breteler welke door mij en mijn wijlen man is bezeten en bebouwd.

Bedoeld erf is later opgegaan in het erf Perik en is nu in handen van de familie Schollen Reimer.

In een akte van 18 november 1816 staat het volgende:

Voor mij Gerrit Pennink, notaris te En­schede, compareerde Harmannus Brete­ler, landbouwer in de Esmarke, dewelke verklaarde verkocht te hebben aan zijn neef Hendrik Ribbelt, landbouwer in de Esmarke, het halve erve Breteler, gele­gen in Lonneker bestaande uit het woon­huis, wonnershüs en verdere getimmer­ten, met de hoge en lage landerijen, graaf­gronden en houtgewassen, voor de som van f 1200,-.

Waarvan acte gedaan in tegenwoordig­heid van Hermannus Greve, hoedema­ker, en Lambertus Greve, bomzijdemaker, beide te Enschede, als getuige en hebben getekend.’

Hermannus Bretelaer. Hendrik Kibbelt. Herm. Greve. L Greve. G. Pennink, nots.

Na de familie Ribbelt kwam het in han­den van de familie Kromhof die nog steeds eigenaar is. Het huis van het vroe­gere Breteler, nu bekend als De Roosker, met een lang niet onaardige boavenkamer staat op de monumentenlijst.

J.B. Slot.

Bronnen: – Twenter Laand en leu en leven – C. Elderink.

• Geschiedenis van Enschede – Dr. van Benthem Gzn.

• Lonnekemarkeboek.

• Notarisakten • Met dank aan B. v.d. Molen.

Enkele door Frits Breteler genomen foto’s van ‘De Roosker’ in ca. 1992.